Voorgeschiedenis

Het gemis van een classificatiesysteem

Bij het uitwerken van de opgravingsgegevens van het door de Rijksdienst Oudheidkundig Onderzoek (ROB) uitgevoerde archeologische onderzoek in de Benedenstad van Nijmegen werd het gemis van een classificatiesysteem voor Laat Middeleeuws en Post Middeleeuws aardewerk en glas in hevige mate gevoeld. Het gemis kwam tot uitdrukking bij de wetenschappelijke verantwoording van dateringen van archeologische sporen. We spreken hier over het midden van de jaren '80.

Moeite met beschrijvingen

Het bovengenoemd onderzoek in Nijmegen had betrekking op de historische (micro)topografie en de ontwikkeling van de Benedenstad in Nijmegen tussen 1300 en 1500. In deze studie zijn de opgravingresultaten betrokken van 1979-1985, in combinatie met historische gegevens uit de Nijmeegse schepenprotocollen met betrekking tot de Grotestraat, Pepergas, Vleeshouwersstraat en Steenstraat. Het bleek niet mogelijk om op beknopte wijze de inhoud van bijvoorbeeld een insteek te beschrijven, waardoor een muur gedateerd zou kunnen worden. Publicaties die geraadpleegd konden worden waren minimaal.

Een voorbeeld van classificering vóór het Deventer Systeem

Een wetenschappelijke verantwoording zou bijvoorbeeld bestaan uit de volgende inhoudsbeschrijving van een insteek:
Randscherf van een bijna steengoed kan (datering XIIIB).
Randoor van een roodbakkende grape (datering XIVA).
Blauwgrijze wandfragmenten van een kan (datering 1175-1350)4.

Erg handig is dit niet. Er wordt gerefereerd naar complete voorwerpen die uit hun context gepubliceerd zijn. De gehele context is onbekend. En hoe blauwgrijs is blauwgrijs? 

Nog moeilijker was het om uitspraken te doen over de sociaal-economische positie van de gebruikers van een beerkelder en die gegevens te vergelijken met die uit andere steden.  Het keramiekonderzoek moest eigenlijk nog beginnen. Er moest een classificatiesysteem komen.

Historisch versus archeologisch

Bij historische gegevens kan men altijd verwijzen naar de bron, het pagina- of folionummer en de plaats van bewaring. De onderzoeker kan op deze wijze altijd gecontroleerd worden.

Bij archeologische gegevens is dit minder eenvoudig. Wanneer de archeoloog in een publicatie de datering van een grondspoor geeft, zal de lezer meestal op de integriteit van de onderzoeker moeten afgaan als deze geen tekeningen en beschrijving van de vondsten verstrekt. Bij een klein onderzoek met maar weinig vondsten zou dit in principe geen probleem hoeven te zijn, maar dat wordt het al snel zodra de omvang van vooral het vondstmateriaal toeneemt.

Daarbij komt nog eens dat de integriteit van de onderzoeker weliswaar kan vaststaan, maar dat dit nog niet hoeft te betekenen dat zijn analyses nooit zouden mogen bloot staan aan een herinterpretatie. In de loop der tijd neemt de kennis immers toe, waardoor veranderende inzichten kunnen ontstaan. Ook veranderen 'gangbare opvattingen' zoals het idee in de jaren 80 van de vorige eeuw dat de dateringen van Baart5 gemiddeld een kwart eeuw te vroeg waren.

Classificering met een goede typo-chronologie noodzakelijk

Zonder een classificatiesysteem met een goede typo-chronologie kan de onderzoeker alleen maar verwijzen naar soortgelijke voorwerpen die elders gepubliceerd zijn. Daarbij stuit hij tevens op de moeilijkheid dat hij te maken heeft met vele verschillende productiecentra, waarvan slechts enkele op een toegankelijke wijze gepubliceerd zijn.

De onderzoeker van het materiaal uit een bepaald productiecentrum moet voor zijn dateringen van bepaalde typen weer afgaan op de dateringen van het geëxporteerde materiaal in een goed dateerbare context elders.

Snel raakt men in een vicieuze cirkel. Veel dateringen worden bovendien gebaseerd op importmateriaal, voornamelijk steengoed, uit het Rijnland afkomstig. Maar waar zijn de dateringen van dat materiaal weer op gebaseerd? Op overstromingen waarvan er wel verschillende binnen een halve eeuw plaats vinden, op landaanwinningen of dijkverzwaringen die uit afval van verschillende decennia kunnen bestaan, etc.

Een op het oog simpele omschrijving als Jacobakan (waarvan er verschillende typen bestaan), het toewijzen aan een bepaald productiecentrum (in dit geval meestal Siegburg) en de datering (de verschillende typen volgen elkaar - deels overlappend - in datering op) geven zonder afbeelding (foto en/of tekening) de lezer geen betrouwbare informatie.

Vergelijken op meerdere niveaus

Een classificatiesysteem levert op den duur niet alleen een oplossing voor de dateringsproblematiek. Het schept ook de mogelijkheid om complexen in sociaal-economisch opzicht te vergelijken. Het betreft hier de mogelijkheid afzet en verspreiding in beeld te brengen en - misschien nog wel belangrijker - de sociale differentiatie op basis van de complexsamenstelling te analyseren. Er kan gekeken worden naar de rol van specifieke luxeartikelen, de popularisering ervan en de imitaties. Op interstedelijk gebied wordt onderzoek op sociaal-economisch niveau mogelijk.

Tot voor kort kon een archeoloog met de nodige beperkingen alleen binnen een klein gebied (bijvoorbeeld een stad) vergelijkend onderzoek verrichten en moest ieder voor zich in feite het 'wiel' opnieuw uitvinden.

Specifieke problemen

De meest theoretisch logische - maar praktisch onuitvoerbare - wijze om een goed classificatiesysteem op te zetten is eerst alle pottenbakkersovens met het daarbij geproduceerde afval op te graven en dit afval, dat uit het complete scala van vormen bestaat, vervolgens typo-chronologisch in te delen. Daarbij is er natuurlijk een zeer duidelijke hiërarchie in belangrijkheid.

Bovenaan staan de pottenbakkerscentra die specifiek op de export gerichte producten maken, onderaan de zich slechts op de lokale, deels regionale markt richtende (eenmans?)bedrijfjes. Een op de export gericht centrum als Siegburg is voor elke stadsarcheoloog belangrijk, een slechts roodbakkend aardewerk producerend lokaal bedrijfje in Zwolle is alleen voor Zwolle en het achterland daarvan belangrijk.

Bij een op massaproductie gericht centrum als Siegburg (dat uit vele bedrijven bestaat met elk meerdere werknemers waarbij de verschillende bedrijven mogelijk hun eigen afzetmarkt hebben) vindt eerder standaardisatie plaats dan bij de honderden lokale bedrijfjes. Dat betekent dat een typo-chronologie voor steengoed uit Siegburg gemakkelijker tot stand te brengen is dan bijvoorbeeld voor roodbakken grapen uit de 16de eeuw.

Om een typo-chronologie op te zetten moet je in feite - theoretisch - eerst het hele scala aan typen uit een bepaald productiecentrum kennen voordat je ze keurig chronologisch gerangschikt presenteert. In praktisch opzicht betekent dit dat de eerste decennia het onderzoek niet naar een hoger (vergelijkend sociaal-economisch) niveau getild kan worden.

Een code voor die ene specifieke vorm

Bij het opstellen van een typo-chronologie komen vervolgens vooral bij de omschrijving van de vorm en de functie de meeste problemen kijken. Noem je één bepaalde vorm nou een kom, schotel, schaal of diep bord? En is de functie bijvoorbeeld fruitschotel, visschotel, papkom, beslagkom etc?

De meest eenvoudige oplossing is het hanteren van een code voor die ene specifieke vorm; een code die op zich geen enkele verwantschap hoeft te hebben met de hierboven genoemde benamingen. Bijvoorbeeld type 132. Elke individuele onderzoeker kan naar believen zijn voorkeursbenaming en zijn idee van de functie invullen. Type 132 blijft type 132 en iedereen weet na veel zoeken hoe type 132 er uit ziet.

Type-aanduidingen met een mnemonische code

Dit is helaas weinig praktisch. Een praktisch wel uitvoerbare weg is ingeslagen met de publicatie van enkele Deventer vondstcomplexen en de inhoud van een waterput van kasteel Kessel. Hier is bij de type-aanduidingen gekozen voor een mnemonische code, meestal bestaande uit de eerste drie letters van de naam van de vorm naar de voorkeur van de onderzoekers, H. Clevis, J. Kottman en J. Thijssen. Ook al vindt de ene onderzoeker dat een bepaald type bord [bor] eerder een kom [kom] is, iedereen weet na enig zoeken hoe dat type er uit ziet.

Door de mnemonische code weet je in ieder geval meteen of je met tafel of keukengerei te maken hebt of met platgoed dan wel rondgoed. Door het vooralsnog ontbreken van objectieve criteria voor het toeschrijven van een specifiek voorwerp aan een bepaalde vorm, op basis van bijvoorbeeld maatverhoudingen, kunnen er 'fouten' gemaakt worden.
Een formule voor borden als {Ø rand/ [Ø rand+ Ø basis+ hoogte}+ {Ø basis/ Ø rand+ Ø basis+ hoogte}> 0,815 moet uitgebreid getoetst worden.

Na acceptatie van zo'n op basis van maatverhoudingen verkregen formule betekent dit bijvoorbeeld dat m-kom-1 (Deventer) een bordvorm is. Deze formule kan toegepast worden op voorwerpen die aan een aantal specifieke, voor iedereen herkenbare, visuele kenmerken voldoen. Zo moet het voorwerp een open vorm hebben (in tegenstelling tot de gesloten vorm) en mag het geen handgreep of schenklip hebben om tot de borden gerekend te kunnen worden.

Benadrukt moet worden dat bovenstaande formule met de daarbij behorende visuele voorwaarden nog altijd niet uitgebreid getoetst is. Het gaat hier echter om een indruk te geven van hoe objectieve criteria tot stand kunnen komen.

Objectieve criteria kunnen veranderen

Het wachten op dit soort objectieve criteria voor het hele vormenspectrum is echter eveneens ondoenlijk. Dat er derhalve 'fouten' gemaakt zijn en nog gemaakt zullen worden is duidelijk. En zelfs na algemeen aanvaarde objectieve criteria kan een volgende generatie onderzoekers de criteria veranderen door van een verschillende invalshoek uit te gaan.

Bruijn, Rinaldi en Polling

Bepaalde publicaties die betrekking hebben op het vormenspectrum van één bepaald pottenbakkerscentrum of van één bepaalde soort geïmporteerde waar kunnen gemakkelijk gebruikt worden om de daarin gepubliceerde vormen over te nemen in de typo-chronologie. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld van Anton Bruijn over Werrakeramiek en van Maura Rinaldi over kraakporselein. Bruijn geeft ons de tekeningen van 15 specifieke vormen in de zogenaamde slibkrastechniek van de Werratraditie.

Rinaldi behandelt het in het eerste kwart van de 17de eeuw ingevoerde kraakporselein uit China in West-Europa vanuit een kunsthistorisch oogpunt. Ze beeldt - iets minder overzichtelijk - het hele vormenspectrum af, waardoor het vroegste porselein qua vormenspectrum eveneens opgenomen kan worden in de typo-chronologie. De versieringsmotieven geven hier uiteraard nauwkeurigere dateringen.

Voor bijvoorbeeld een overzicht van beeld- en blindmerken van Maastrichtse industriële keramiek is Polling goed bruikbaar. Uiteraard zijn er meerdere publicaties waarvan het vormenspectrum in de typo-chronologie opgenomen kan worden. Het moet echter alleen nog gedaan en voor iedereen toegankelijk gemaakt worden. Intussen is in 2018 het aantal publicaties dat de Deventer Systeem typo chronologie heeft toegepast boven de 300 gekomen.

Toezicht

Het classificatiesysteem heeft een vorm van toezicht nodig. Nieuwe publicatienummers kunnen alleen centraal uitgegeven worden, omdat er anders kans is op dubbele typenummers.

Het beheer van het Classificatie systeem voor keramiek lageerst bij Hemmy Clevis, vervolgens jarenlang bij Peter Bitter en later bij Sebastiaan Ostkamp. Vanaf 1 januari 2019 ligt de verantwoording bij SPA-Onderzoek in de persoon van Sebastiaan Ostkamp. Namens SPA-Onderzoek geeft hij nieuwe typenummers uit voor de keramiek. Hij wordt bijgestaan door Peter Bitter en Hemmy Clevis.

Jaap Kottman heeft zijn werkzaamheden inmiddels beëindigd en zijn taak is overgenomen door Mieke Tolboom. Zij geeft voor het glas de nieuwe typenummers uit, bijgestaan door Peter Bitter, Hemmy Clevis en Sebastiaan Ostkamp. Hemmy Clevis begeleidt het digitale proces.

Nina Jaspers ontwikkelt en beheert de standaard kleurenschema's voor bakselgroepen en de geautomatiseerde toepassing daarvan op grafieken in Excel, bijgestaan door Sebastiaan Ostkamp.

Het digitale proces

Aanvankelijk werd slechts gewerkt met een normale database. Toen Michiel Bartels bezig was met zijn omvangrijk onderzoek van vondstcomplexen in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel, kreeg hij digitale bijstand van de ROB. Helaas ontstond er toen geen professionele database. Ondanks verschillende tijdrovende pogingen kwamen er geen externe gelden.

In 2002/2003 stelde de Ruud van Beek Stichting gelden beschikbaar voor de vervaardiging van een professionele database onder leiding van Hemmy Clevis. De uitvoering was in handen van Nick van Nhuong. In september 2003 kwam een versie tot stand die uitgebreide testen van Paul van Vulpen had doorstaan. Inmiddels was al het steengoed uit de verschillende publicaties ingevoerd. Er kon nu gewerkt worden aan de definitieve vormgeving van een eerste handleiding. Deze is overigens inmiddels weer aangepast.

Toen bleek dat een Brugse ICT-er het systeem gekopieerd had en de collegae het daar reeds toepasten, hebben we hiernaar gekeken. Het systeem leek veel geavanceerder te zijn dan dat wat we al hadden en de structuur was af. Data konden zo overgezet worden. Dat hebben we laten doen en zijn op dit systeem verder gaan werken. Achteraf gezien hadden we dat niet moeten doen, want de bestaande data waren achter de schermen vaak op één hoop gegooid. Een ramp.

In 2017 hebben we een laatste poging gedaan om de zaak vlot te trekken en zijn met Jan Verhoek van Javinto in zee gegaan. De Ruud van Beekstichting stelde een laatste bedrag beschikbaar en de Keramiekstichting Paul Smeele en Adri van der Meulen was bereid een subsidie te verstrekken.

Het Deventer Systeem is sinds juni 2019 online te gebruiken.

 


1 Clevis 1987, 1988.
2 Jansen 1983, 199 afb. 6 nr. 3.
3 Baart 1977, 233 afb. 430.
4 Jansen 1983, Tabel.
5 Baart 1977.
6 Clevis en Kottman.
7 Clevis 1995, 75-79.
8 Bruijn 1992.
9 Rinaldi 1989.
10 Polling 1989.
11 Zie lijst publicaties Classificatiesysteem.
12 Bartels 1999.